DE EIGEN*WIJZE VROUW
DAGBOEK
Montségur
Een ochtend in Frankrijk, alleen op een berg
Montségur.
Jaren geleden las ik een boek waarin een man in de leer was en uiteindelijk deze plek bezocht. Ik voelde alles in dat boek en besloot op dat moment: ooit zal ik daar ook lopen. Zijn.
En dat moment kwam. In de vroege ochtend ging ik op pad.
De zon stond al hoog in de hemel — het beloofde een hete dag te worden. Ik liep omhoog door het dorpje Montségur zelf. Aan mijn rechterkant een schattig huisje met het teken van de Tempeliers. Een stroompje water stroomde langs me, en een klein fonteintje stond klaar om mensen hun dorst te laten lessen tijdens dit warme weer.
Ik liep verder omhoog en moest links afslaan. Een stukje bos in, waar het echt steil omhoog ging. Ik ben best redelijk getraind — ik voelde mijn kuiten en wist dat dit wat ging beloven.
De weg nam een buiging naar rechts en ik was blij dat de bomen voor nu even verkoeling gaven. Ik zag een klein tentje verstopt tussen de bomen op een stukje weiland, en iets verderop een paard met een meisje erbij. En in een flits zag ik het meisje met een zwart gat als haar mond.
Een vreemd beeld. Ik knipperde met mijn ogen en ze zwaaide en lachte. Ik weet niet of ik dit inbeeldde of echt zag — maar ik weet wel dat er iets in de energie aanwezig was. Ik mocht een laag onderzoeken die ik zo goed herken. Het donker.
En waar ik vroeger bang zou zijn geworden, zag ik nu, voelde vertrouwen, en liet los.
Ik wandelde door en kwam bij een prachtig stuk open veld. Schattige roze bloemetjes rondom mijn voeten op de weg, en de bellen van de koeien klinkelend over de velden.
Ik zag de ruïne van Montségur opreizen aan mijn rechterkant. De zinderende hitte liet zich voelen en dartelende vlinders vonden hun weg op de bloemen langs de kant. Ik stopte even om een filmpje van ze te maken. Ze voelen altijd zo licht, speels en zorgeloos — met al hun verschillende kleuren. Ze maken me altijd blij en vredig.
Onderweg omhoog zag ik een jongen op een bankje zitten. Ik begroette hem en ergens wist ik dat hij dezelfde weg als ik naar boven zou gaan.
Ik stak over en kwam bij het loket. Iets te vroeg — het was nu 9:30 en ik wist dat ze pas om 10 uur open zouden gaan. Ik liep er heen en zag een vrouw lopen. Misschien kun je gewoon doorlopen?
Het antwoord was ja. Het loket was dicht, maar de deur was open. Gek, dacht ik — maar ik vertrouwde erop dat het zo mocht zijn.
Ik schoot een foto van het prachtige uitzicht op Montségur. De zon door mijn lens en een vredig gevoel in mij.
Naarmate ik doorliep kwam ik bij een bos. Maar voordat ik daarin stapte, stond het gedenkbeeld van de Katharen — een groot kruis. Ik liep erheen en legde mijn handen erop.
Ik voelde een drang om te knielen. Om mijn respect te tonen. Ik zat gehurkt en vroeg God om de liefde door mij heen te laten stromen naar deze plek. Mijn dankbaarheid dat ik hier kon komen, en misschien iets kon doen voor het hoogste goed van allen.
Ik ademde steeds dieper — ik was nog een beetje buiten adem — en een liefdevol gevoel vulde me. Ik blies het uit om me heen. En bedankte. Ik gaf een handkus aan het beeld en liep verder omhoog.
Het pad kronkelde en ik liep langzaam het bos in.
De energie veranderde. Het voelde alsof ik een andere staat inging. Een donkerte was aanwezig — een volgende fase waarin ik mocht ervaren waar ik was. Zowel in werkelijkheid als in mijn innerlijk proces.
Ik was hier alleen en voelde een soort uitnodiging. Een soort test. Voel je ook nog steeds vertrouwen als de energie verandert? Als er meer dreiging voelbaar is? Als je geluiden hoort, maar niet kunt zien wat er is?
Ik merkte dat ik het een beetje spannend vond, maar direct voelde ik vertrouwen. Vroeger was ik bang geworden — had misschien zelfs Robbin gebeld. Maar nu wilde ik filmen, omdat het misschien een hertje zou zijn wat ik mocht zien.
Ik zag niks en liep rustig verder. Het pad voelde oud, en in mijn geestesoog zag ik de gelovigen dit pad ook lopen. Vasthoudend aan hun geloof. Hun waarheid. Hun levensovertuiging. Datgene waar ze met heel hun hart in geloofden, aan toegewijd waren. Zichzelf niet zouden verraden door hun geloof op te geven.
En ergens begon dat gevoel sterk te worden in mezelf.
Het bos liet ik achter me en ik kreeg een steile klim omhoog. De zon brandend in de hemel en een uitzicht wat adembenemend was. Ik voelde het zweet langs mijn gezicht sijpelen en de drang om door te lopen. Mijn mond vroeg om verkoeling, maar de drang om door te lopen was sterker.
Ik vroeg mezelf af of dit mijn ego was dat het snelste wilde zijn. Maar dit was anders.
Zal ik gewoon maar drinken? Maar dan hoorde ik een mannenstem in mij.
"Als je alleen boven wilt zijn en wilt doen wat je hebt te doen, zul je nu door moeten lopen."
Dus ik liep. Ik liep omdat ik dit al zo lang verlang. Ik liep omdat ik niet opgeef aan dat verlangen. Ik liep omdat ik inderdaad alleen even wil zijn. Ik liep omdat ik dit wil — niet om te bewijzen aan iemand of iets, maar omdat mijn verlangen daar ligt.
Hagedisjes renden om me heen en af en toe kreeg ik een nieuwsgierige blik.
Ik bedacht me dat dit niet een pad is waar honderden mensen naartoe gaan. Naja, misschien soms wel — maar dit pad kies je niet als je niet weet wat zich hier heeft afgespeeld. Dit pad vraagt om doorzettingsvermogen. Om toewijding. Aan jezelf, je verlangen. Want het is intens.
De stilte was voelbaar en mijn hart voelde ik kloppen in mijn keel. Zwetend en hijgend kwam ik boven. En al snel was de rust in mij voelbaar toen ik stond voor de grote ruïne.
Mijn handen reikten plots naar beneden en ik plukte wat bloemetjes — als eerbied, respect, en als dank. Die wilde ik ergens neerleggen, bedacht ik me.
Ik liep de trap op en kwam bij de poort. Ik voelde me welkom — en was er inderdaad helemaal alleen.
Ik zag een steen in het midden en besloot dat dat mijn plekje was om wat te drinken en te mediteren.
Ik trok mijn lijn met boven door mij heen naar mijn hart. Ik vroeg om de liefde voelbaar te laten zijn in mijn hart. Om de liefde en het licht door mij heen te laten stromen naar deze plek. Het werd rustig in mij en ik opende mijn ogen.
Mijn benen liepen als vanzelf naar een andere plek. Ik stopte bij een zwarte vlek op de grond. De waterfles in mijn handen vroeg om zich te laten delen, en als vanzelf liet ik water bij mijn voeten vallen. Mijn handen voelden het water en ik begon in alle richtingen water te werpen — en tegelijkertijd voelde ik een loslaten in mijn lijf.
Ik werd misselijk. Kreeg bijna het gevoel over te moeten geven.
Ik ademde en legde mijn handen op mijn hart. Ik vroeg het goddelijke in mijn hart te komen voor deze plek. Mijn handen verplaatsten zich naar mijn zonnevlecht en daarna mijn buik, waarna ze zich vervolgden in cirkelende bewegingen in de lucht — boven verbindend met de hemel, om mij heen met de aarde.
Ik sprenkelde water omhoog naar de hemel en voelde mijn misselijkheid zakken. Ik voelde mijn benen en voeten, en verbond ook de aarde met mijn hart.
Dat alles verbonden mag zijn. Het licht ons zal vervullen, de aarde ons zal dragen. We altijd veilig zijn. We worden gedragen. We één zijn. Voor nu en altijd.
Het was rond. Ik liep naar mijn rugzak en pakte het appeltje dat ik had meegenomen. Ik liep door de poort aan de andere kant en kreeg een fenomenaal uitzicht. De zoete sap van de appel vervulde mijn mond en ik genoot van het uitzicht.
Het was fijn hier helemaal alleen te mogen zijn. Dat ik kon doen wat er net was gebeurd. Ik merkte dat ik er verder geen aandacht aan gaf — maar het voelde gewoon goed het te kunnen volgen. Mijn hoofd deed niet mee. Ik vertrouwde op wat mijn lijf volgde.
Ik ben niet alleen. Er is altijd iets bij me.
Ik liep rondom het kasteel en vond een ingang aan het einde. De kerkklok stond hier vast vroeger, bedacht ik me, en ik zag in mijn gedachten paters naar boven lopen op de cirkeltrap die nu helemaal is ingestort.
Ik ging even zitten in de schaduw. Ik at mijn appel verder op, dronk nog wat water, en liep weer het trapje op naar de buitenkant van het kasteel.
Mannen waren de omgeving aan het snoeien en zagen mijn aanwezigheid niet. Terug van achteren liep ik weer langs de zijkant naar de ingang waar ik binnen was gekomen.
Ik ging nog een keer middenin op de binnenplaats op de stenen zitten. At wat nootjes — en de mannen kwamen plots binnen en schrokken een beetje van mij, dat ik hier helemaal alleen zat. Snap ik wel — maar ik zat net als hen even te lunchen, denk ik. Ze pakten hun spulletjes zachtjes en slopen weg.
Ik voelde dat het rond was. Dat ik had gedaan wat ik te doen had. En op een gekke manier voelde ik een intense drang om het klokhuis naast de bloemen neer te leggen. Weer hoorde ik een stem: "de vrucht van het leven." Gevolgd door: "de verboden vrucht waar Eva van at."
Een zelfverzekerd gevoel en immense drang om hem hier te laten was aanwezig.
Ik bedacht me alleen dat het wat gek is om hier, midden op deze plek, een klokhuis neer te leggen. Ook al voelde ik dat hij hier moest liggen, begreep ik ook dat mensen dit als afval of onbeschoft zouden kunnen bestempelen.
Ik besloot de zaadjes uit het klokhuis te pulken en die bij de bloemen neer te leggen. Alsnog wilde ik liever het klokhuis er neerleggen — maar zo kan het ook. Dan heb ik beide.
Ik legde de pitjes neer en liep weg. Aan de buitenkant, aan de rand van het kasteel, legde ik het klokhuis neer. Want het hoorde er ergens ook bij. Maar de kern ligt bij de bloemen.
Ik bedankte deze plek. En ergens voelde ik de trouw aan mezelf. Een deel wat ik voel en volgde zonder vragen. Een deel wat opstond. En een deel wat toekeek en vertrouwde.
Een man, een vrouw en twee stellen kwamen achter elkaar omhoog.
En ik was weer dankbaar dat ik mijn gevoel volgde en de stem in vertrouwen nam. Dat ik trouw bleef aan wat ik voelde — en daardoor inderdaad hier meer dan een half uur helemaal alleen mocht zijn.
Ik hoop diep in mijn hart dat ik iets heb kunnen doen voor deze plek.
Ik kwam uiteindelijk weer bij het beeld waar ik in het begin voor knielde.
Ik voelde een zacht verdriet omhoog komen. Het voelde echt als een afscheid. Een afscheid van een deel van mezelf. Een deel wat ik hier laat. Een deel wat veel zwaarte droeg. Een deel wat altijd zoekende was en onzeker.
Een oud deel van mij — en niet omdat het niet goed is. Het zal altijd een onderdeel blijven wat zal blijven bestaan. Maar ik loop nu verder, en het overheerst me niet meer.
Ik zag in mijn geestesoog allemaal mensen staan bij het beeld, kijkend naar mij.
Ik zei dat ze vrij zijn. Dat ze naar het licht mogen gaan. Dat ik nog mijn pad heb te bewandelen in dit leven, hier en nu — maar dat zij nu vrij mogen zijn. Opgenomen mogen worden door het licht. De liefde.
Dat ze kinderen van God zijn, evenals ik. Ik bedankte hen voor hun moed, hun vastberadenheid en trouw aan zichzelf. Dat ik nu verder ga op mijn pad — en zij vrij mogen zijn.
Één voor één schoten ze naar boven. En één meisje bleef staan.
Nogmaals bedankte ik haar en gaf haar een handkus. Ze liep weg, het bos in. Een klein meisje rende naar me toe. Ik gaf haar een knuffel en zei: "Het is goed. Ik hou van jou."
Als ik nogmaals keek was iedereen weg.
En rustig vervolgde ik mijn pad naar huis. Naar beneden.
Ik voelde me voldaan. Rustig en tevreden.
Het was fijn dit alleen te mogen doen. Alleen te mogen lopen, te voelen en te zijn. En tegelijkertijd was ik nooit alleen. De stem, de mensen, de energie, de aarde en het goddelijke waren bij me. Begeleidden me. En godzijdank kon ik volgen zonder twijfel aan mezelf.
Montségur, bedankt. Bedankt dat ik mezelf weer een stukje mocht herinneren. Het vertrouwen in mezelf nog sterker mocht worden. Je opende me, en liet me tegelijkertijd loslaten.
✦ ✦ ✦
De nacht erna kreeg ik een droom. En die hoort hier ook bij — want Montségur liet me niet meer los, ook niet in mijn slaap.
Een jonge man met blond haar staat tegenover me. Hij is wat verveeld met de mensen die ik in dat moment spreek, en ik vraag of ik iets voor hem kan doen. Of hij iets nodig heeft misschien.
Hij loopt voorzichtig naar me toe en geeft me een knuffel. Heldere blauwe ogen, een licht grijs shirt. Hij houdt me vast. Het voelt rustgevend en veilig, en ik houd hem ook stevig vast.
Het is even goed zo. En plotseling vraag ik wat hij doet. Ik voel mezelf lichtjes omhoog zweven, mijn voeten van de grond, en hij die me vasthoudt. Niets seksueels — gewoon samenzijn.
Hij vertelt me dat ik nu naar delta-staat ga. Ik vind het goed. Voel me veilig. En ik voel me dieper en dieper zakken. Hij heeft zijn hoofd leunend in mijn nek en spreekt dingen uit in een taal die ik niet versta.
Ik voel me zwaar. Ik krijg alles wel mee, maar mijn lichaam is zo ontspannen dat ik er heerlijk in hang.
Hij legt me neer en vertelt me dat hij me straks naar theta-staat brengt. Dat ik mijn ogen open mag doen op zijn teken, en dat ik de kleuren anders zal ervaren. Ik kijk af en toe even en zie een vrouw voor me dansen. Ik sluit mijn ogen en open ze opnieuw. En inderdaad — ik zie de kleuren anders. Ik ben verrast dat hij me in deze staat heeft kunnen brengen.
Ik weet namelijk hoe sterk mijn geest is. Zelfs plantmedicijn kreeg me nauwelijks plat. Maar nu, alleen met een veilige omarming en volledig vertrouwen vanuit mezelf, zak ik in deze staat.
Mijn lichaam schokt hier en daar en hij vertelt me dat het bijzonder is hoe snel ik reageer.
Langzaamaan kom ik weer bij. We praten na. En zo word ik wakker.
Montségur was voor mij niet zomaar een plek. Het heeft iets in me geopend — durven loslaten, durven zakken, en vertrouwen in mezelf. Wat zich verder zal ontvouwen, dat zien we nog. Maar de deur staat open.
In liefde,
Brigitte